Jezus zag op naar de hemel en zuchtte en zeide: “Efata,” dat is: Ga open!
Mac. 7:34 [zie ook Mac. 7:32-27]
Een zekere Theo Coenraads heeft een gedicht geschreven dat heet: “Praten met God” en dat gaat als volgt:
We praten vaak over God
We hebben ons woordje altijd wel klaar
We zijn geen vreemdelingen in Jeruzalem
We praten onze lippen dun, over de naaste veraf,
over solidariteit, over het milieu, over de maatschappij,
over vrede en gerechtigheid, over discriminatie,
over de hele wereld en nog wat, en (tussen twee haakjes).
Geen kwaad woord daarover.
Maar praten mèt God, op je knieën, met lege handen
met een mond vol tanden, omringd door de scherven van je bestaan
met tranen over je zonden, met een schreeuw om vergeving.
Op je knieën dus, huilend als een kind.
Dat is andere koek!
En of dat wel andere koek is! Het is het ene om te zeggen dat wij geloven, om naar de kerk te gaan en om te praten over God en hoe hij de wereld bedoeld heeft. En het andere is om ook daadwerkelijk in je leven op God te vertrouwen en Jezus als voorbeeld te volgen. Als het daarom gaat hoe het moet, als het daarom gaat hoe anderen het moeten oplossen, dan zijn wij onovertroffen. Maar als het ons zelf aan gaat, als wij het zijn die het moeten oplossen, als het over ons leven gaat … dan is het vaak andere koek.
Dan sta je daar met knikkende knieën en lege handen, met een mond vol tanden te midden van de scherven van je leven. Dan trek je je terug in je schelp. In deze opzichten is ons leven als dat van een oester. In haar kan een mooie parel verborgen liggen, maar van de buitenkant ziet de oester er niet uitnodigend uit. Zij is veel meer scherp en hoekig, ruw en afwijzend. Wie te dichtbij komt die kan zich gemakkelijk bezeren.
En toch is er een die ook dan bij je komt, ondanks je gesloten schelp en ondanks je scherpe kanten, ondanks je angst. Jezus kijkt dieper dan alleen naar de afwijzende buitenkant. Hij zoekt de parel die eronder verborgen is. En Hij zegt tot je: “Efata, ga open!”
U weet hoe zo’n parel in een oester ontstaat? Het begint allemaal met een korreltje zand. Dit kleine korreltje zand dringt op een zekere dag de schelp van de oester binnen. Net als ziekte of zorgen ons lichaam of gedachten insluipen. En het korreltje is scherp, het snijdt wonden, het doet pijn, het boort zich in het vlees en in de geest en kan zelf de dood betekenen. Wij kunnen sterven aan een gebroken lichaam of een gebroken hart.
Maar wat doet de oester? Zij zet zich met dit kleine korreltje zand dat toch zo’n grote invloed op haar leven kan hebben uit elkaar. Zij geeft het niet op, zij legt zich niet daarbij neer, zij loopt niet weg en ontkent niet dat het daar is.
Daardoor legt zij er langzaam om het scherpe korreltje zand een dun laagje parelmoer. En langzaam groeit er zo in de oester een mooie ronde parel.
Voor ons betekent dat om ook voor lijden en pijn in ons leven niet de ogen te sluiten en niet om onze wanhoop en verwondingen omheen te draaien. Maar dat wij ons daarmee uit elkaar zetten tot dat er iets in ons begint te groeien, beetje bij beetje. Dat kost vaak kracht en geduld, het is een weg vol twijfels en tegenslagen. En vaak zullen wij boos zijn op de mensen om ons heen, op onszelf en ook op God.
Maar als wij daarbij Jezus heel dicht bij ons laten komen, hem met ons mee laten lijden en het kruis in ons leven niet ontkennen, dan zal in ons een waardevolle parel rijpen. Misschien krijg ik nooit helemaal grip op de zorgen of de ziekte, maar ik leef er anders mee. Want ik heb mij voor Jezus opengesteld en Hij heeft mij aangeraakt. Ondanks alle pijn en verdriet helpt Hij mij om de schat in mij te ontdekken. Ik ben waardevol, zoals ik ben, met al mijn littekens. Daarom: “Efata, stel je open, opdat Jezus ook jou kan aanraken!”